De Auteurswet biedt instellingen en bedrijven de mogelijkheid om uit
auteursrechtelijk beschermd werk te
fotokopiëren, mits er een vergoeding wordt betaald aan de rechthebbenden. Dit is de zogenaamde Reprorechtregeling van 1985. Hieronder vallen
overheidsinstellingen,
bibliotheken,
scholen en andere
instellingen die werkzaam zijn in het algemeen belang. Sinds 1 februari 2003 is een wetswijziging van kracht waardoor deze regeling ook voor het
bedrijfsleven geldt.
Om te voorkomen dat elke organisatie of onderneming iedere fotokopie individueel met de betreffende auteur moet afrekenen, hebben auteurs en uitgevers in 1974 Stichting Reprorecht opgericht. De Stichting werd in 1985 door de
Minister van Justitie aangewezen om de reprorechtvergoedingen te innen. Deze vergoedingen worden vervolgens door de Stichting weer verdeeld onder auteurs en uitgevers, op basis van een door de overheid goedgekeurd reglement.
Voor de introductie van de
Regeling Reprorecht Bedrijfsleven in 2003 heeft Stichting Reprorecht intensief overleg gepleegd met VNO-NCW en MKB-Nederland over de wijze van facturering en de hoogte van de tarieven. Het uitgangspunt hierbij was om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zo laag mogelijk te houden. Daarom is gekozen voor een eenvoudig en transparant systeem van
vaste vergoedingen, waarbij rekening wordt gehouden met bedrijfsgrootte en branche. Als de verhouding tussen de hoogte van de vaste vergoeding en het feitelijke verbruik scheef is, kunnen bedrijven en Stichting Reprorecht kiezen voor een individuele regeling op basis van het totale aantal jaarlijkse kopieën dat wordt gemaakt binnen het bedrijf. Bedrijven ontvangen slechts eenmaal per twee jaar een factuur. Klik
hier voor meer informatie over de introductie van de Regeling Reprorecht Bedrijfsleven in 2003 en klik
hier voor het addendum uit 2005.
Wilt u
meer weten over Stichting Reprorecht? Zie het
Jaarverslag 2008.